Hvaklasy.jouwweb.nl
Home » Samenvattingen » Verbintenissenrecht jaar 1

Verbintenissenrecht jaar 1

Mensen sorry was nog niet helemaal klaar, but you'll never know who else needs it ;)

 

Samenvatting verbintenissenrecht

Hoofdstuk 1: plaatsbepaling

Definitie verbintenis: een verbintenis is een vermogensrechtelijke relatie tussen twee (of meer) partijen, waarbij de ene partij tot iets verplicht is, waarop de andere partij een recht heeft.

 

Verbintenissen uit overeenkomst:

  • Ontstaan door aanbod en een aanvaarding die op elkaar aansluiten.
  • Er moet sprake zijn van wilsovereenstemming
  • De betrokken partijen zijn rechtssubjecten (dragers van rechten en plichten).
  • De prestatie is het object van de verbintenis. Dit kan bestaan uit een doen of een nalaten.
  • Prestaties van een doen: betaling van een geldsom, levering van een goed of het verrichten van een dienst.

 

Begrippen:

Schuldeiser/crediteur is de partij die recht heeft op de prestatie van de wederpartij

Schuldenaar/debiteur is de partij die een prestatie moet verrichten en dus een plicht heeft t.o.v. de ander.

Wanprestatie: een tekortkoming in de nakoming.

 

 

 

Verbintenissen uit de wet:

 

Onrechtmatige daad:

  • Bij de onrechtmatige daad ontstaat er maar 1 verbintenis; slechts 1 partij is tot iets verplicht.
  • Ontstaat een verbintenis tot schadevergoeding wanneer je iemand schade toebrengt op een manier die onrechtmatig is. Eventuele opzet maakt voor de aansprakelijkheid geen verschil.
  • Hierbij spreekt de wil geen rol. De verbintenis ontstaat rechtstreeks uit de wet. Het is de feitelijke handeling met de wettelijke bepaling hoe de verbintenis ontstaat.

Art. 6: 162 BW onrechtmatige daad

  • Hij die jegens een ander
  • Een onrechtmatige
  • daad pleegt
  • Die hem kan worden aangerekend

 

 

 

 

 

 

Rechtmatige daad: (de wil is hierbij niet van toepassing. De feitelijke handeling en wettelijke bepaling doen de verbintenis ontstaan)

Onverschuldigde betaling:

  • Wanneer er per ongeluk een bedrag op je rekening wordt gestort, ben je verplicht dit terug te storten. De persoon heeft jou dit onverschuldigd betaald.

 

Art. 6: 203 BW terugvordering ongedaanmaking

  • Degene die een ander
  • zonder rechtsgrond
  • een goed heeft gegeven

Ongerechtvaardigde verrijking:

  • Door het ontvangen van de rente over onverschuldigde betaalde bedrag verrijkt. Terwijl als het geld nooit op jouw rekening had gestaan je deze rente ook niet had gekregen. Dus je moet niet alleen het bedrag, maar ook de rente.

Art. 6:212 BW

Zaakwaarneming:

  • Als je (zaakwaarnemer) voor een ander iets doet, die er niet van op de hoogte was en dit zelf op het moment niet kon oplossen. (vb. gebroken raam van buurman laten vervangen tijdens zijn vakantie)
  • Bij het voorbeeld is de buurman dan verplicht om de gemaakte kosten van de ruit aan jou te vergoeden. (hierbij maakt de wil van de buurman niets uit)

Art. 6:198 BW

 

 

Personen: natuurlijke personen & rechtspersonen. Rechtspersonen kunnen net zoals natuurlijke personen feitelijk handelen.

 

Handhaving: dit wordt aan de burgers (natuurlijke personen) en de rechtspersonen zelf overgelaten. Ze dienen zelf actie te ondernemen om de privaatrechtelijke regels te handhaven. Dit betekend dus dat ze zelf de bevoegdheid hebben om naar een civiele recht te stappen.

 

Beginselen en uitgangspunten:

 

Contractsvrijheid:

Partijen in het verbintenissenrecht zijn vrij om overeen te komen wat zij willen, zolang dit niet expliciet verboden is, of in strijd komt met de openbare orde of de goede zeden.

 

Pacta sunt servanda:

Overeenkomsten moeten worden nagekomen. Wanneer partijen uit vrije wil hebben besloten een overeenkomst aan te gaan, moet deze in beginsel volledig worden nagekomen.

 

Vormvrijheid:

Zolang de wetgever niet expliciet ander bepaald, geldt er geen speciale vorm waarin handelingen verricht moeten worden. Dus alleen als de wetgever voor een bepaalde handeling een specifieke vorm heeft voorgeschreven, ben je verplicht te voldoen (testamen opstellen bij notaris, laten trouwen door ambtenaar burgerlijke stand).

 

  • Dwingend recht en regelend(aanvullend) recht: van dwingend recht mag niet worden afgeweken (rechtsgeldig testament opmaken notaris). Van regelend recht mogen partijen afwijken, als er niets wordt afgesproken vult de aanvullende rechtsregel het gat op (garantietermijn, leveringsovereenkomst).

 

Redelijkheid & billijkheid:

De redelijkheid verwijst naar het verstand(de ratio) en de billijkheid meer naar ons rechtsgevoel. Als een situatie onduidelijk is, omdat partijen er niets over hebben afgesproken, en de wet ook geen aanvullende bepalingen geeft, hebben de redelijkheid en billijkheid een aanvullende werking.

 

Art. 6: 248 BW lid 1. wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid

  • Een overeenkomst
  • Niet alleen naar partijen overeenkomsten rechtgevolgen
  • Die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit wet;
  • De gewoonte;
  • Of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien

Art. 6: 248 BW lid 2. Derogerende/beperkende werking van RB

  • Tussen partijen geldende regel van overeenkomst is niet van toepassing
  • Voor zover naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
  • Onaanvaardbaar zou zijn

 

Bijzonder voor algemeen:

Als twee rechtsregels op één situatie betrekking hebben, de bijzondere regel voorgaat, dus bw7 gaat voor bw6 en deze gaat weer voor bw3.

 

Procederen:

 

Materieel & formeel:

Materieel is inhoudelijk, dit bepaald wie in welke situatie waarop recht heeft, welke verbintenissen er uit een overeenkomst ontstaan, wat de gevolgen zijn van het plegen van een onrechtmatige daad.

Formeel/procesrecht ziet op de procedures waarmee iemand zijn recht kan verwezenlijken. En regels hoe je iemand voor de civiele rechter kunt dagen, welke processtukken je hiervoor moet opstellen, hoe de terechtzitting verloopt en hoe de rechter tot zijn uitspraak komt.

 

Hoofdregels:

  • “wie stelt, bewijst/wie eist, bewijst”, als je iets eist/stelt moet jij dit ook kunnen bewijzen. De uitzondering hierop is dat als de tegenpartij niet betwist dat wat jij stelt ook gebeurd is.
  • De rechter is vrij in zijn waardering van het bewijs. Hij kan zelf bepalen aan welke bewijsmiddelen hij veel of weinig waarde hecht. Dit moet hij wel beargumenteren.
  • Bewijsopdracht, als de rechter denkt dat wat de partij stelt juist is, geeft hij de andere partij een bewijsopdracht, hij keert de bewijslast om.

 

Jurisprudentie:

 

 

 

 

Uitspraken:

Uitspraken van de rechtbank noemen we vonnissen en de uitspraken van gerechtshoven en de Hoge Raad noemen we arresten.

Dit is de jurisprudentie waar de rechters naar kijken als ze twijfelen over de toepassing van een bepaald wetsartikel zullen ze kijken of de Hoge Raad hier in een eerder geval al uitspraak over heeft gedaan. Als de zaak voldoende vergelijkbaar is, zullen ze de uitspraak van de Hoge Raad volgen.


 

Hoofdstuk 2: rechtsfeiten

 

Rechtsfeitenschema 1

 

Rechtssubject: drager van rechten en plichten. Dit zijn natuurlijke personen (mijn tante heeft een eigendomsrecht op een auto, mijn buurman een lening bij een bank), maar ook rechtspersonen (de N.V. Philips heeft allerlei patent- en octrooirechten, vorderingsrechten op klanten, maar ook betalingsverplichtingen naar leveranciers). De regelingen die van belang zijn: natuurlijke personen worden onder meer behandeld in Boek 1 BW, de rechtspersonen in Boek 2 BW.

Rechtsobject: zijn die objecten waar de rechten en verplichtingen betrekking op hebben. Zij staan geregeld in de Boeken 3 en 5 BW. Onderwerpen die daarbij spelen zijn goederen, zaken eigendomsrecht en alle onderwerpen die daarmee verband houden.

Rechtsfeit: elk feit waaraan het recht een rechtsgevolg verbindt.

Blote rechtsfeiten: feiten waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. Die rechtsgevolgen treden echter in zonder verder menselijk handelen. Het enkele feit betekent automatisch het rechtsgevolg. Voorbeelden: het nabuurschap (zie Titel 4 van Boek 5  BW), geboorte of overlijden van een mens.

Handelingen: rechtsfeiten waaraan het handelen van een rechtssubject ten grondslag ligt.

Rechtshandelingen: die handelingen van rechtssubjecten waarmee een bepaald rechtsgevolg wordt beoogd/bedoeld. Men verricht de handeling juist met het oog op het in het leven roepen van een bepaald rechtsgevolg. Bijvoorbeeld het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

Feitelijke handelingen: die handelingen die niet gericht zijn op het in het leven roepen van een rechtsgevolg, maar die wel degelijk een rechtsgevolg hebben.

Onrechtmatige daad: een handeling die volgens ons recht niet mag. Het gevolg is dan ook dat het recht daaraan de consequentie kan koppelen van een verplichting tot schadevergoeding. Belangrijk om op te merken is dat de handeling niet op dit rechtsgevolg was gericht.

Rechtmatige daad: een handeling die evenmin een rechtshandeling is omdat zij niet gericht is op een bepaald rechtsgevolg, en niet onrechtmatig is. De wet kent drie gevallen van rechtmatige daad, nl. zaakwaarneming (art. 6:198 BW e.v), onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW e.v.) en ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).

Eenzijdige rechtshandeling: komt tot stand door de wil en verklaring van slechts een rechtssubject. Het voorbeeld bij uitstek is het maken van een testament. Andere voorbeelden zijn het uitbrengen van een stem bij de besluitvorming binnen een rechtspersoon, het erkennen van een kind en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst.

Meerzijdige rechtshandeling (wederkerige overeenkomsten): komt tot stand door wil en verklaring van minstens twee rechtssubjecten.

De belangrijkste groep meerzijdige rechtshandelingen is de categorie overeenkomsten.

Overeenkomst: meerzijdige rechtshandeling gericht op het ontstaan, wijzigen of opheffen van een rechtsbetrekking tussen twee of meer partijen. Deze omschrijving komt overigens als zodanig niet in de wet voor.

Verbintenisscheppende of obligatoire overeenkomst: art. 6:213 BW: ‘…. Een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan.’ Er zijn vele voorbeelden te geven: koop, ruil, arbeidsovereenkomst, vervoersovereenkomst, aannemingsovereenkomsten etc. Het begrip verbintenis zal tijdens het onderwijs uitgebreid aan de orde komen. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar elders in deze handleiding.

Meerzijdige of wederkerige overeenkomst: een overeenkomst waarbij voor elk van de partijen een verbintenis ontstaat. Het meest sprekende voorbeeld is de koopovereenkomst: de ene partij is verplicht, doordat hij zich er toe heeft verbonden, een zaak te geven; de andere partij dient daarvoor een prijs in geld te betalen.

Eenzijdige of niet-wederkerige overeenkomst: overeenkomsten waarbij slechts een van de partijen een verbintenis op zich neemt. Een voorbeeld is de schenkings(overeenkomst).

Let op: dit is een meerzijdige rechtshandeling omdat de ene partij wil en verklaart te schenken, en de ander partij wil en verklaart te ontvangen (!), maar slecht voor de schenker ontstaat vervolgens de verbintenis (verplichting) te schenken.

Definitie verbintenis: een verbintenis is een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer bepaalde personen waarbij de een tot een bepaalde prestatie gerechtigd is, waartoe de ander verplicht is.

Verbintenissen zijn in rechte afdwingbaar. Uitzondering: de natuurlijke verbintenis, art. 6:3 BW.

 

  • Werking van een verklaring:

Er moet gekeken worden naar art. 3:37 lid 3 BW. Met “bereikt hebben wordt bedoeld: het eerste moment waarop redelijkerwijs kennis kon worden genomen van de verklaring.

Indien de verklaring niet of niet tijdig is bereikt heeft deze toch haar werking indien het niet of niet tijdig bereiken:

  1. Het gevolg is van zijn eigen handeling, of
  2. Een handeling van een persoon voor wie hij aansprakelijk is, of
  3. van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en die rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt (hier moet gekeken worden naar de risicosfeer)

-      Art. 6:224 BW bepaald dat het tijdstip van aanvaarding geldt: het tijdstip waarop de verklaring zou zijn ontvangen als de storende omstandigheid er niet was geweest.

  • Vormvereiste 

Indien er een vormvereiste geldt en de rechtshandeling wordt niet volgens dit vereiste verricht in deze op grond van art. 3:39 BW nietig. 

 

 

Hoofdstuk 3: wilsontbreken, nietigheid en vernietigbaarheid

 

  • Dubbele grondslag van de rechtshandeling

Hiermee wordt bedoeld dat een rechtshandeling op twee manieren kan ontstaan:

  1. Via art. 3:33 BW wil en verklaring stemmen overeen, of
  2. Via art. 3:35 BW er is een verklaring, maar de wilt ontbreekt. Omdat het recht degene beschermt die er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de verklaring gewild werd, kan er bij wilsontbreken toch een rechtshandeling ontstaan.

 

  • Primaat van wil

Wetgever hanteert dit en bedoeld hiermee: eigenlijk kan er alleen een rechtshandeling tot stand komen als er een wil is.

Art. 3:35 BW is slechts een noodoplossing voor het geval er in de praktijk misverstanden ontstaan en een partij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een verklaring een bepaalde bedoeling had. Ondanks het ontbreken van wilsovereenstemming komt er dan toch een overeenkomst tot stand.

 

  • Gerechtvaardigd vertrouwen

Er kan een beroep worden gedaan op art. 3:35 BW. Als de wederpartij op grond van de gedragingen van de geestelijke gestoorde niet duidelijk heeft kunnen zien dat er 

‘iets vreemds’ aan de hand was, moet er gekeken worden naar het prijsverschil. Als het prijsverschil niet te groot was, zal het beroep hierop slagen.

 

  • HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (Bunde-Erckens, of Misverstand): er was tussen partijen het misverstand over wat er onder belastingschade werd verstaan. Er werd gekeken naar de betekenis en naar de deskundigheid van partijen.

 

Nietige rechtshandelingen

De wetgever wenst een rechtshandeling niet te erkennen, omdat de inhoud strijdig is, de handeling bestaat voor het recht niet.

  • Nietige rechtshandeling op grond van art.3:40 BW

-      In strijd met openbare orde:

bv. Een overeenkomst tussen een politieke partij en een verkiezingskandidaat, waarin is opgenomen dat de kandidaat zijn zetel moet opgeven als hij zijn lidmaatschap van de partij beeindigt.

-      in strijd met goede zeden:

bv. De overeenkomst waarin een vader met zijn ex-vrouw tegen betaling overeenkwam dat zij de voogdij over hun kind zou opgeven.

-      In strijd met dwingende wetsbepaling:

Bv. Het verhandelen van wiet. Of een overeenkomst sluiten met een huurmoordenaar om iemand te vermoorden.

            De bepalingen van lid 2 & 3 zijn de overeenkomsten vernietigbaar.

 

  • Onbevoegde handeling

Handelingsonbevoegd Art. 3:43 BW: het gaat om situaties waarin (rechterlijke)ambtenaren, of andere personen die openbaar gezag uitoefenen, goederen aanschaffen waar zijn vanuit hun functie direct mee te maken hebben. De gesloten koopovereenkomst is dan nietig.

 

 

Vernietigbare rechtshandelingen

Deze moet eerst worden vernietigd, maar heeft daarna voor het recht ook nooit bestaan. Op grond van art.3:53 lid 1 BW bepaald dat vernietiging terugwerkende kracht heeft. Art.3:49 BW bepaald dat een rechtshandeling wordt vernietigd door een buitengerechtelijke verklaring(vormvrij) of door een rechterlijke uitspraak.

  • Wilsgebrek: bedreiging

Art. 3:44 lid 1 jo. lid 2 BW: iemand moet onder invloed van bedreiging bewogen worden tot het verrichten van een rechtshandeling die hij anders niet verricht zou hebben.

Als de bedreigde op het aanbod ingaat, ontstaat er een schenkingsovereenkomst, waarbij de wil van de bedreigde zeer gebrekkig is gevormd. Er moet voor bedreiging dus een zekere instemming zijn, anders is er niet gewild en is er ook geen rechtshandeling die vernietigd kan worden. Ook moet de bedreiging onrechtmatig zijn/strafbaar.

 

 

 

  • Wilsgebrek: misbruik van omstandigheden

Art. 3:44 lid 1 jo. lid 4 BW: ziet op de situatie waarin er sprake is van dusdanig abnormale omstandigheden dat je kunt zeggen dat er niet normaal gewild is, er moet misbruik van gemaakt worden. Een indicatie is bv. Als de rechtshandeling voor degene die stelt misbruikt te zijn financieel (zeer)nadelig is.

 

  • Wilsgebrek: bedrog

Art. 3:44 lid 1 jo. lid 3: hierbij is het de bedoeling van de bedrieger om de wederpartij in een verkeerde veronderstelling te brengen. Kenmerk van bedrog is dat de bedrieger beweegt een rechtshandeling te verrichten door:

  1. Opzettelijk onjuiste mededelingen te doen, of
  2. Iets te verzwijgen dat hij verplicht was mee te delen, of
  3. Een andere kunstgreep toe te passen (andere tactieken die de bedriegen kan toepassen en met deze trucs een verkeerde voorstelling van zaken geeft)

Bedrog is niet alleen een grond voor vernietiging maar altijd ook een onrechtmatig daad oplevert. De bedrieger kan na vernietiging nog aansprakelijk zijn voor schade die de bedrogene heeft geleden.

 

  • Wilsgebrek: dwaling

Art. 6:228 BW: de wil wordt door een verkeerde veronderstelling gebrekkig gevormd. Je wilde de overeenkomst wel sluiten, maar dit was niet het geval omdat je in de verkeerde veronderstelling verkeerde. Zou dat niet het geval zijn geweest, zou je de overeenkomst ook niet hebben gewild.

Na vernietiging op grond van dwaling dragen beide partijen in beginsel hun eigen kosten.

 

Uitsluitingsgronden:

  • Uitsluitend toekomstige omstandigheid
  • Aard van de overeenkomst
  • De in het verkeer geldende opvattingen (hieronder valt ook naïviteit)

 

  • Handelingsonbekwaamheid

Art. 3:32 lid 1: iedere natuurlijke persoon is bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaald.

  • Curatele: art. 1:381 lid 2 jo. 3:32 lid 2 BW. De gevolgen van de handelingsonbekwaamheid zijn dat rechtshandelingen die door een onder curatele gestelde verricht worden, vernietigbaar zijn, Eenzijdige, ongerichte rechtshandelingen (bv. Testament opstellen) zijn nietig.
  • Minderjarigheid: art. 1:234 lid 1 jo. 3:32 lid 2 BW

 

  • Actio Pauliana

Art. 3:45 BW: het gaat om de situatie waarin een schuldenaar rechtshandelingen verricht die hij niet hoeft te verrichten en waardoor zijn schuldeisers benadeeld kunnen worden.(bv. bij faillissement huis verkopen aan vriendin zodat schuldeiser zich niet kan verhalen op woning)

 

HR 19 juni 1959, NJ 1960, 59 (De Kantharos van Stevensweert)

Hoofdstuk 4: ontstaan van verbintenissen uit overeenkomst

 

  • Art. 6:225 lid 1 BW bepaald dat een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, als een nieuw aanbod moet worden beschouwd. Lid 2 bepaald dat als de aanvaarding slechts op ondergeschikte punten afwijkt van het aanbod, de ovk toch tot stand komt, tenzij de aanbieder onverwijld aangeeft niet met de afwijking te kunnen leven.

 

  • Uitnodiging om in onderhandeling te treden:
    • Bij de koop van een individueel bepaalde zaak (bv.woningadvertentie: Huis dat geen soortzaak is omdat de precieze ligging van belang is) de persoon van de koper van belang kan zijn en dat een advertentie voor een dergelijke zaak daarom in beginsel tot een uitnodiging tot het doen van een aanbodmoet worden beschouwd.)
    • Als het gaat om een zaak waar de persoon van de koper redelijkerwijs niet van belang is kan een verkopende partij dus wel gebonden zijn.

            Een aanbod moet niet op de letterlijke tekst worden beoordeeld maar altijd mede aan     de hand van de bedoeling van de aanbiedende partij, zoals uit de omstandigheden            redelijkerwijs kon worden afgeleid.

 

  • Unieke saak/specieszaak:

Individueel bepaalde zaak. Het gaat hier om één bepaalde zaak, die je op grond van individuele kenmerken kunt onderscheiden. (vb. schilderij, 2ehands tafel, huis)

  • Soortzaken/genuszaken:

Zaken die je, in principe, niet op grond van individuele kenmerken van elkaar kunt onderscheiden. (vb. 1000 l stookolie, 6000 nieuwe tafels uit fabriek)

 

Art.6:219 lid 1 BW: op een onherroepelijk aanbod kun je niet meer terugkomen, op een herroepelijk aanbod nog wel. Als uit de omstandigheden blijkt dat het aanbod niet als onherroepelijk is bedoeld, is het ook niet onherroepelijk, ook al bevat het een termijn. (onbeperkt leverbaar is wel onherroepelijk)

 

Art.6: 219 lid 2 BW: een aanbod kan niet meer worden herroepen als het al aanvaard is. Of wanneer een mededeling waaruit de aanvaarding blijkt, is verzonden.

  • Uitzondering: als het aanbod wordt gedaan onder de mededeling dat het een vrijblijvend aanbod is. Als de tegenpartij zijn aanbod aanvaardt, kan hij het onverwijld nog weigeren. Tenzij dit niet expliciet wordt vermeld.

 

Art.6:221 lid 1 BW: een mondeling aanbod vervalt als het niet onmiddellijk wordt aanvaard. Een schriftelijk aanbod vervalt als het niet binnen redelijke termijn wordt aanvaard, hierbij moeten de omstandigheden in acht worden genomen. Ook vervalt een aanbod als het wordt verworpen, ook al bevat het een termijn.

 

  • Herroepelijk aanbod

De aanbieder kan tot aan het moment dat zijn aanbod aanvaard is, of een aanvaarding naar hem onderweg is, op zijn aanbod terugkomen.

  • Openbaar aanbod

Een aanbod dat gericht is aan iedereen of aan een groep personen. (bv. Prijskaartje in etalage)

  • Uitloving

Art.6:220 BW: Als iemand bv. zijn kat kwijt is en €100 uitlooft aan de vinder.

  • Onredelijke afbreking

Als alles ernaar uitziet dat een overeenkomst tot stand zal komen en de tegenpartij de onderhandelingen op een gegeven moment afbreekt, kan, onder strikte voorwaarden, voor de benadeelde partij een verbintenis tot schadevergoeding ontstaan.

  • Precontractuele fase

De grond voor aansprakelijkheid is de redelijkheid en billijkheid die partijen in de precontractuele fase, met name in een vergevorderde onderhandelingsfase, ten opzichte van elkaar moeten nemen. Handelen ze dan toch, zeer, onredelijk, dan kunnen ze een onrechtmatige daad plegen (art.6:162 BW).

 

HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 (Plas-Valburg): De gemeente had bij een aannemer een offerte ingediend. Het maken van plannen hebben veel geld gekost, alhoewel alle omstandigheden daarop wezen kreeg hij het contract niet. De andere aannemer kon profiteren van de gemaakte plannen.

  • Er was terecht aansprakelijkheid aangenomen voor de gemeente. Aannemer mocht er door de handelingen gemeente gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij het contract kreeg. Aannemer had recht op schadevergoeding.

 

HR 10 april 1981, NJ 1981, 532 (Hennis-Hofland, of: Woninggidsadvertentie):

Huis dat geen soortzaak is omdat de precieze ligging van belang is, de persoon van de koper van belang kan zijn met name omdat het na de plaatsing van de advertentie voor een woning, de partijen nog onderhandelen. En dat een woningadvertentie voor een dergelijke zaak daarom in beginsel tot een uitnodiging tot het doen van een aanbodmoet worden beschouwd en niet bindend

 

 

Hoofdstuk 5: inhoud van verbintenissen uit overeenkomst

  • Bijzondere/benoemde overeenkomsten

Dit zijn de wetten die door de wetgever in boek 7,7A of 8 benoemd zijn. Dit zijn bv koop-, arbeids-, en huurovereenkomst.

  • Onbenoemde overeenkomsten

Deze zijn niet nader in de wet uitgewerkt.

 

De gevolgen van een overeenkomst worden op grond van art.6:248 BW bepaald door de volgende factoren:

  1. Hetgeen partijen hebben afgesproken,
  2. De wet,
  3. De gewoonte, en
  4. De redelijkheid en billijkheid (dat wat normale verstandige mensen objectief bezien in deze situatie zouden hebben afgesproken)

 

  • Bewoordingen van de overeenkomst

Hierbij kijk je naar wat partijen letterlijk hebben afgesproken, wat de bedoeling is van de partijen. Bij mondelinge overeenkomst bestaat dit uit hetgeen partijen over en weer aan elkaar hebben verklaard. Bij schrif. onduidelijkheid speelt art.3:35 BW een rol:

  • Partijen hebben iets opgeschreven, maar de ene partij verstaat er iets anders onder dan de andere partij. Kon een partij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit bedoeld werd en niet dat, dan kan hij zijn tegenpartij hieraan houden. Hij handelde in gerechtvaardigd vertrouwen.
  • Algemene voorwaarden
    • Kernbedingen (art.6:231 sub a BW)

Deze moeten duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De prijs, hoeveelheid en kwaliteit van de verkochte zaken, bij een verzekeringsovereenkomst is de omvang van de dekking een kernbeding. Als de bedingen in een bijlage zijn opgenomen zijn deze, mits duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, geen algemene voorwaarden in de zin van de wet.

 

  • Vernietigbaarheid algemene voorwaarden:
    • De wederpartij is geboden aan de algemene voorwaarden als de wederpartij een redelijke mogelijkheid heeft gehad om ze kunnen kennen.(ter hand stellen of vermelden kvk art.6:23) Indien de wederpartij geen mogelijkheid heeft gehad om de van de av kennis te nemen. (art.6:232 bw jo. art.6:233 sub b bw)
    • Indien de av een beding bevat dat onredelijk bezwarend is; een voor de wederpartij zeer ongunstig beding. (art.6:233 sub a bw)

 

Exoneratiebeding/vrijtekeningsbeding

Een beding dat de aansprakelijkheid voor de gevolgen van niet-nakoming, al dan niet gedeeltelijk, uitsluit. Dit beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn.

 

  • Beperkende/derogerende werking redelijkheid & billijkheid

Art.6:248 lid 2 bw: bij consumenten en kleine bedrijven heeft de wetgever een beschermend stelsel in het leven geroepen om te voorkomen dat zij te snel gebonden zijn aan algemene voorwaarden. Soms is het onaanvaardbaar dat een partij een beroep doet op een beding in een overeenkomst. De beperkende werken van R&B mag niet te snel worden aangenomen maar alleen in situaties waarin ongewijzigde instandhouding van de ovk tegen elk rechtsregel indruist.

 

  • Onvoorziene omstandigheden

      Art.6:258 bw: een partij kan aan de rechter wijziging van een overeenkomst verzoeken   als er sprake is van onvoorziene omstandigheden en ongewijzigde instandhouding van     de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden         verwacht. Het moet gaan om een omstandigheid waarin de ovk niet voorziet en die op     het moment vh sluiten van de ovk nog niet bestonden.

 

HR 20 februari 1976, NJ 1976, 486 (Pseudovogelpest-arrest): Top levert aan Van der Laan kippen die besmet bleken te zijn met pseudovogelpest. Top behoorde dit te weten er was dus sprake van grove schuld. Dit had hij uitgesloten middels een exoneratiebeding. Op grond van de redelijkheid & billijkheid mocht hij daarop geen beroep doen. (derogerende werking R&B)

 

 

HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex-criterium): Het ging hierbij om de interpretatie van het begrip teruggeven van de snijmachine. Er moet hierbij niet alleen gekeken worden naar de taalkundige uitleg maar ook welke zin de partijen redelijkerwijs mochten toekennen en wat zij van elkaar redelijkerwijs mochten verwachten. Ook moet er gekeken worden in welke maatschappelijke kringen partijen zich bevinden en naar de rechtskennis en professionaliteit.